Naar inhoud springen

zijkant

Uit WikiWoordenboek
  • zij·kant
enkelvoud meervoud
naamwoord zijkant zijkanten
verkleinwoord zijkantje zijkantjes

de zijkant m

  1. datgene dat de zijde vormt
    • Aan de zijkant zit een handvat. 
    ▸ Eigenlijk lijkt hij nog het meest op een half biervat met verhoogde zijkanten en pootjes.[1]
    ▸ Het is de eerste keer dat ze aan haar denkt, en ze pakt de zijkant van de sofa beet.[1]
99 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[2]
  1. 1 2
    Jessie Burton vert. Mieke Trouw-Luyckx
    “Het huis aan de Herengracht” (2022), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024586332
  2. ↑ Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be