Naar inhoud springen

verzekerde

Uit WikiWoordenboek
  • ver·ze·ker·de
enkelvoud meervoud
naamwoord verzekerde verzekerden
verkleinwoord

de verzekerde v / m

  1. iemand wiens belang of lijf is verzekerd
    • Bij het eigen risico betaalt de verzekerde de eerste kosten uit eigen zak. 

verzekerde

  1. verbogen vorm van de stellende trap van verzekerd
vervoeging van
verzekeren

verzekerde

  1. enkelvoud verleden tijd van verzekeren
    • Ik verzekerde. 
    • Jij verzekerde. 
    • Hij, zij, het verzekerde. 
    ▸ 'Nu misschien nog niet, maar dat komt wel,' verzekerde Henry haar.[1]
    ▸ Waren ze gaan twijfelen? Nee, helemaal niet. Echt niet, verzekerde Karl hem opgelaten. Als hij en Louise het alleen konden beslissen, zouden ze allang getrouwd zijn. Maar dat was helaas niet zo.[2]
    ▸ Áls je zo midden in de nacht naar beneden springt met een parachute, ja ik weet er niets van, maar ik neem aan dat het midden in de nacht moet zijn, dan ben je toch enorm bang?' Hij verzekerde haar dat hij niet bang zou zijn.[3]
  2. verbogen vorm van verzekerd, voltooid deelwoord van verzekeren
  1. ↑ “Echo's aan het meer” (2026), Kokboekencentrum, ISBN 9789029740210
  2. ↑
    Jan Guillou (vert. Bart Kraamer)
    “Kop in het zand” (2015), Uitgeverij Prometheus op Wikipedia, ISBN 9789044628142
  3. ↑
    Jan Guillou (vert. Bart Kraamer)
    “Blauwe ster” (2016), Uitgeverij Prometheus op Wikipedia, ISBN 9789044628265