toetsweek
Uiterlijk
- toets·week
- samenstelling van  toets ww en  weekÂ
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | toetsweek | toetsweken |
| verkleinwoord |
- (onderwijs) een week dat er geen reguliere lessen zijn maar wel toetsen (proefwerken en examens)
- âAlles zo goed willen doen is wel vermoeiend. Soms is het echt te druk, vooral tijdens toetsweken. Binnenkort hebben we skikamp met school en twee dagen later toetsweek. Dertien toetsen! Dat slaat dus nergens op. In zoân periode doe ik alleen maar dingen die moeten. Liever zou ik met vrienden afspreken. Of op de Playstation spelen, muziek luisteren. Maar daar is dan geen tijd voor. Dan merk ik dat ik chagrijnig word. âJe bent iets te perfectionistischâ, zeggen mijn ouders dan. âEen zeven is ook goed hoorâ. âNeeâ, zeg ik dan.â [1]Â
- Het woord toetsweek staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "toetsweek" herkend door:
| 99Â % | van de Nederlanders; |
| 87Â % | van de Vlamingen.[2] |
- â NRC Freek Schravesande Annemiek Leclaire 16 januari 2017
- â
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 âWord Prevalence Valuesâ op ugent.be