rang
Uiterlijk
- rang
- Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘trede in hiërarchie, klasse’ voor het eerst aangetroffen in 1575 [1]
- Van het Franse rang (1584) van reng (12e eeuw): "kring der rechtspersonen bij een geding", zelf weer afkomstig van het Frankische *hring (ring) [2]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | rang | rangen |
| verkleinwoord | rangetje | rangetjes |
de rang m
- een plaats binnen een bepaalde hiërarchie
- Hij had een vrij hoge rang.
- ▸ Een bezoek aan een hamam was een opwindende openbaring: tweehonderd vrouwen, met 'glanzende, blanke' huid, niet getekend door puisten of striemen van een korset, uitgestrekt op divans, nippend aan koffie of een vruchtendrank, zonder enig onderscheid in rang omdat ze allemaal 'in zondige staat verkeerden, of gewoon gezegd, poedelnaakt' waren.[3]
- ▸ Hij gebruikte zijn rang van praetor om aan het begin van het debat op te staan en te verklaren dat Pompeius nederig datgene zou aanvaarden wat het huis hem besloot te verlenen.[4]#(wiskunde) het maximale aantal lineair onafhankelijke vectoren in een stelsel
- De rang van de matrices AAT en ATA is hetzelfde en beperkt door de kleinere van de twee.
- rangcorrelatiecoëfficiënt, rangkroon, ranglijst, rangnummer, rangorde, rangregeling, rangschikken, rangtaal, rangtelwoord
- Het woord rang staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "rang" herkend door:
| 99 % | van de Nederlanders; |
| 99 % | van de Vlamingen.[5] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ "rang" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ rang op website: Etymologiebank.nl
- ↑ “In gezonde staat” (2019), Atlas Contact
, ISBN 9789045035635 - ↑ “Imperium” (2006), Cargo, ISBN 9789023495734
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
- IPA: /raŋk/
- rang
- (spreektaal) rang; een plaats binnen een bepaalde hiërarchie
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| nominatief | rang | rangy |
| genitief | rangu | rangů |
| datief | rangu | rangům |
| accusatief | rang | rangy |
| vocatief | rangu | rangy |
| locatief | rangu | ranzích |
| instrumentalis | rangem | rangy |
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 4
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 1 lettergreep in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Wiskunde in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 99 %
- Prevalentie Vlaanderen 99 %
- Woorden in het Tsjechisch
- Woorden in het Tsjechisch met IPA-weergave
- Zelfstandig naamwoord in het Tsjechisch
- Spreektaal in het Tsjechisch
- Mannelijk zelfstandig naamwoord in het Tsjechisch
- Onbezield mannelijk zelfstandig naamwoord in het Tsjechisch