prikkel
Uiterlijk
- prik·kel
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | prikkel | prikkels prikkelen |
| verkleinwoord | prikkeltje | prikkeltjes |
de prikkel m
- gevoelssignaal, stimulus, plotselinge irritatie van het zenuwstelsel, aansporing
- De prikkel van de sporen deed het paard een uiterste poging wagen.
- ▸ In het zuidoostelijke deel van Europa blokkeerden de Ottomanen de handelsroutes naar het oosten, waardoor er een prikkel ontstond om nieuwe handelsroutes te verkennen.[2]
- ▸ Altijd, op elk ogenblik, zal er de prikkel der overwinning zijn, de sensatie een vijand te vertrappen die hulpeloos is.[3]
- doornen van prikkelende voorwerpen, planten
- Pas op! Anders zit je midden in de prikkels.
| vervoeging van |
|---|
| prikkelen |
prikkel
- Het woord prikkel staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "prikkel" herkend door:
| 100 % | van de Nederlanders; |
| 100 % | van de Vlamingen.[4] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ prikkel op website: Etymologiebank.nl
- ↑ Jan Bloemendal“Erasmus” (2020), Athenaeum - Polak & Van Gennep
, ISBN 9789025312541 - ↑ Hans Achterhuis“De erfenis van de utopie” (1998), Ambo/Anthos uitgevers
, ISBN 9026315244 - ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be