Naar inhoud springen

passage

Uit WikiWoordenboek
  • pas·sa·ge
enkelvoud meervoud
naamwoord passage passages
verkleinwoord passagetje passagetjes

de passage v

  1. gelegenheid, mogelijkheid om te passeren, doorgang
  2. gedeelte van een tekststuk of muziekstuk
    ▸ Toen ik deze passage eens voorlas aan een groep cursisten, begonnen zij prompt te grinniken.[3]
    ▸ ' Utopia voor deze uitgedroogde weduwe, dacht ik nog toen ik die passage las.[4]
    ▸ 'Klassiek' is een woord met een complexe geschiedenis, dat teruggaat op een passage bij de Latijnse auteur Aulus Gellius (eind 2e eeuw n.[5]
  3. overdekte winkelstraat
  4. overtocht per boot of vliegtuig (-> passagebiljet)
    ▸ Nu omlaag, weg van Rusland, naar een passage van achtduizend kilometer over de Stille Oceaan.[6]
  5. (medisch) ontlasting, doorgang
99 %van de Nederlanders;
97 %van de Vlamingen.[7]