Naar inhoud springen

ongelovig

Uit WikiWoordenboek
  • on·ge·lo·vig
stellendvergrotendovertreffend
onverbogen ongelovigongelovigerongelovigst
verbogen ongelovigeongelovigereongelovigste
partitief ongelovigsongelovigers-

ongelovig

  1. niet geloven, in de godsdienstige zin het niet geloven in een opperwezen.
    • Een atheïst is ongelovig. 
  2. in de meer algemene zin verbaasd, kritisch, wantrouwend
    • Hij keek met ongelovige ogen naar de goochelaar. 
    ▸ ' Nora schudt ongelovig haar hoofd.[2]
    ▸ Ze kijken er ongelovig naar: dit is geen plafond met een trompe- l'oeil, kroonlijst of fresco - er zijn alleen maar gigantische vergulde panelen met spiegelglas te zien.[3]
  • Een ongelovige Thomas zijn
nooit iets geloven
100 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[4]
  1. ↑ ongelovig op website: Etymologiebank.nl
  2. ↑
    Anya cNiewierra
    “De stilte” (2025), Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek, ISBN 9789465032016
  3. ↑
    Jessie Burton vert. Mieke Trouw-Luyckx
    “Het huis aan de Herengracht” (2022), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024586332
  4. ↑ Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be