ongelovig
Uiterlijk
- on·ge·lo·vig
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | ongelovig | ongeloviger | ongelovigst |
| verbogen | ongelovige | ongelovigere | ongelovigste |
| partitief | ongelovigs | ongelovigers | - |
ongelovig
- niet geloven, in de godsdienstige zin het niet geloven in een opperwezen.
- Een atheïst is ongelovig.
- in de meer algemene zin verbaasd, kritisch, wantrouwend
- Een ongelovige Thomas zijn
nooit iets geloven
- Het woord ongelovig staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "ongelovig" herkend door:
| 100 % | van de Nederlanders; |
| 99 % | van de Vlamingen.[4] |
- ↑ ongelovig op website: Etymologiebank.nl
- ↑ Anya cNiewierra“De stilte” (2025), Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek, ISBN 9789465032016
- ↑ Jessie Burton vert. Mieke Trouw-Luyckx“Het huis aan de Herengracht” (2022), Luitingh-Sijthoff
, ISBN 9789024586332 - ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 9
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 4 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Voorvoegsel on- in het Nederlands
- Bijvoeglijk naamwoord in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 100 %
- Prevalentie Vlaanderen 99 %