Naar inhoud springen

nonneke

Uit WikiWoordenboek
  • non·ne·ke
  • afgeleid van  non zn  met het achtervoegsel -ke en met het invoegsel -e- [1]
    • [2] omdat het uiterlijk aan vrouwelijke kloosterlingen doet denken
[2] enkelvoud meervoud
naamwoord
verkleinwoord nonneke nonnekes

het nonneke o

  1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord non
    â–ļ Er was een opbod van verontwaardiging, zeker als er een tante nonneke of een nonkel pater in de buurt was.[2]
  2. benaming voor de huiszwaluw, Delichon urbica op Wikispecies
    â–ļ Volksnamen voor de zwaluw zijn: witgatje, witbuikje, ook wel: nonneke.[3]
  • [1] tante nonneke
    zuster van moeder of vader die kloosterlinge is
  • Het woord 'nonneke' staat niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie.
  • frequentie in teksten in het Nederlands uit BelgiÃŦ, op een 7-puntsschaal: [4]
        3
  • frequentie in teksten uit BelgiÃŦ, vergeleken met die in Nederland, op een 7-puntsschaal: [4]
        5
  1. ↑ nonneke op website: Etymologiebank.nl
  2. ↑ Knack in:
    Ludo Permentier & Rik Schutz
    Typisch Vlaams. 4000 woorden en uitdrukkingen (2015), Davidsfonds, Leuven, ISBN 9789059086517, nonneke
  3. ↑ Bronlink geraadpleegd op 11 november 2025 Weblink bron
    H.H. Knippenberg
    “Zon over het leven.” (1948), Uitgeverij Helmond, Helmond, p. 46
  4. 1 2 3
    Ludo Permentier & Rik Schutz
    “Typisch Vlaams. 4000 woorden en uitdrukkingen” (2015), Davidsfonds, Leuven, ISBN 9789059086517, nonneke