koffers
Uiterlijk
- kof·fers
deâkoffersâmv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord koffer
- âļ Ze kwamen hiernaartoe via Parijs of Toulouse, Madrid of Barcelona, beladen met dozen verf en boeken - en typemachines om hun eigen boeken op te schrijven - en koffers met hun initialen erop, koffers die soms op de grond vielen omdat ze zo onhandig waren met de dorpsezels.[1]
- âļ Ik open de achterbak, duw de lege urn met ruwe bewegingen tussen onze koffers en gooi de achterklep met een knal dicht.[2]
- Het woord koffers staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- â Jessie Burton vert. Marja BorgâDe muzeâ (2017), Luitingh-Sijthoff
, ISBN 9789024574704 - â âDe Caminoâ (2021), Luitingh-Sijthoff
, ISBN 9789024582280