grootje
Uiterlijk
- groot·je
- [1] afgeleid van  groot zn met het achtervoegsel -je
- [2] op te vatten als (verkorting) van grootmoedertje
| [2] | enkelvoud | meervoud |
|---|---|---|
| naamwoord | (groot) | (groten) |
| verkleinwoord | grootje | grootjes |
hetâgrootjeâo
- verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord groot
- alleen verkleinwoord (persoon), (familie), (informeel) grootmoeder, oma
- Mijn grootje heeft me dat altijd verteld.Â
- [2]:Â Naar zijn grootje helpen
(informeel) (van voorwerpen) kapotmaken, stukmaken; (van personen) doodmaken, ombrengen (~ om zeep helpen)
- [2]:Â Naar zijn grootje zijn
(informeel) (van voorwerpen) kapot zijn, het niet meer doen; (van personen) overleden zijn
- Het woord grootje staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "grootje" herkend door:
| 87Â % | van de Nederlanders; |
| 78Â % | van de Vlamingen.[1] |
- â
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 âWord Prevalence Valuesâ op ugent.be
CategorieÃŦn:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 7
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 2 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Achtervoegsel -je in het Nederlands
- Verkorting in het Nederlands
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Zelfstandignaamwoordsvorm in het Nederlands
- Betekenis alleen als verkleinwoord in het Nederlands
- Persoon in het Nederlands
- Familie in het Nederlands
- Informeel in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 87 %
- Prevalentie Vlaanderen 78 %