Naar inhoud springen

god

Uit WikiWoordenboek
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: God, gód, gōd
  • god
enkelvoud meervoud
naamwoord god goden
verkleinwoord godje godjes

de god m

  1. (religie) hypothetisch bovennatuurlijk wezen dat verantwoordelijk wordt geacht voor (bepaalde aspecten van) de werkelijkheid
    • De god van de zee, de god van de oorlog. 
    • Waren de goden kosmonauten? 
    ▸ Die willen alleen maar jam van bosaardbeitjes die zijn besproeid met zuiver spuitwater uit een verlaten bergdorp in het Amazonegebied en van akkers die zijn bemest met keuteltjes die God zelf uitgepoept heeft, maar ik vind Hero top.[5]
    ▸ Ze wist niet of ze in God geloofde, maar ze wist wel dat dit meisje gezegend was.[6]
  2. versterkend voorvoegsel (krachtterm) heel erg, gebruikt als linkerdeel van samengestelde bijvoeglijke naamwoorden als versterker van het rechterdeel; in feite samengesteld met God, maar geschreven met een kleine letter volgens spellingregel 16.S
    • Ze zitten de godganse dag achter de computer. 
  • god mag weten wat/waarom/hoe
het is mij volkomen onduidelijk
∗ Ze had verteld dat Reede het vreselijk vond om te moeten flirten met oude markiezinnen in vochtige kastelen waar God mocht weten wat voor schatten op zolder lagen weg te rotten.[6]