Naar inhoud springen

blank

Uit WikiWoordenboek
  • blank
stellendvergrotendovertreffend
onverbogen blankblankerblankst
verbogen blankeblankereblankste
partitief blanksblankers-

blank

  1. met een lichte huidskleur
    ▸ Van een nieuw verbond tussen blank en zwart was in de praktijk niets te bemerken.[4]
    • In noordelijke gebieden is een blanke huidskleur voordelig want dan kun je meer vitamine D aanmaken maar je bent ook minder goed tegen de zon beschermd. 
  2. (van papier) niet beschreven of bedrukt
    • Heb je nog een blank velletje papier voor me? 
    ▸ Als uitsluitend zintuiglijke ervaring de bron van alle kennis is, komt een mens dus ter wereld als een blank en onbeschreven blad (Locke's tabula rasa).[5]
  3. kleurloos, transparant
    • ik ga die tafel met blanke lak behandelen 
  4. bedekt met water, overspoeld; in deze bet. uitsluitend in de uitdrukking blank staan
    • De hele keuken stond blank. 
    ▸ Terwijl we in mijn salon zaten en buiten het regenwater van de daken stroomde tot de weg blank stond, hoorden we paarden en wagens dichterbij komen.[6]
    ▸ Met name in de Noordoostpolder kwamen straten en stukken landbouwgrond blank te staan.[7]
  5. zuiver
  • Aan het West-Germaans ontleend zijn Middeleeuws Latijn blancus en de andere Romaanse cognaten hiervan.
99 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[8]
  • blank
stellend vergrotend overtreffend
blankblankerblankest

blank

  1. onbeschreven, leeg
  2. oninteressant, saai
  3. uitdrukkingsloos
  4. nutteloos, vruchteloos
  5. bot [2], lomp [1], ongemanierd
enkelvoud meervoud
blank blanks

blank

  1. leegte
  2. losse flodder (v.e. geweer)
  3. (scheikunde) een monster dat behalve de stof die het onderwerp van studie is, alle ingrediënten bevat die aanwezig zijn in de andere monsters
vervoeging
onbepaalde wijs to  blank 
he/she/it  blanks 
verleden tijd  blanked 
voltooid
deelwoord
 blanked 
onvoltooid
deelwoord
 blanking 
gebiedende wijs  blank 
  1. overgankelijk aan het zicht onttrekken, verhullen, verdonkeremanen
  2. overgankelijk, (sport) (de tegenstander) het scoren beletten, en zodoende winnen
  3. overgankelijk, (techniek) stansen