Naar inhoud springen

argument

Uit WikiWoordenboek
  • ar·gu·ment
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘bewijsgrond’ voor het eerst aangetroffen in 1265 [1]
  • ontleend aan Latijn 'argūmentum' (bewijs) [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord argument argumenten
verkleinwoord argumentje argumentjes

het argument o

  1. (communicatie) een aangevoerd feit in een discussie om een zienswijze te ondersteunen
    ▸ Dit argument is tot op de dag van vandaag relevant.[3]
    ▸ Het argument waarmee Hempel voor de eenheid van de wetenschappen (unity of science) pleit gaat daarom niet op.[3]
    • Dat bleek een belangrijk argument in de discussie. 
  2. een reden om iets te doen
    ▸ Een extra argument daarvoor was dat de beslissing om de kinderen niet te vaccineren werd genomen door ouders, terwijl de ziekte bijna uitsluitend hun kinderen trof.[4]
    • Dat was een belangrijk argument voor de benoeming tot nationaal park. 
  3. (wiskunde), (informatica) een variabele waar een functie van afhangt
    • De functie f(x,y) heeft twee argumenten, namelijk x en y. 
  4. (taalkunde) zinsdeel dat een thematische rol heeft bij een zelfstandig werkwoord in dezelfde zin
    ▸ Een werkwoord als slapen laat maar één argument toe, want het deelt maar één thematische rol uit.[5]
98 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[6]
  • Zie de doorverwijspagina op Wikipedia voor meer informatie.


enkelvoud meervoud
argument arguments

argument

  1. onenigheid, ruzie,  twist zn 
  2. (communicatie) argument