Tabaristan

Tabaristan (Perzisch: طبرستان Ṭabarestān; Mazanderani: تبرستون Tabarestun) was een bergachtig gebied gelegen aan de Kaspische kust van Noord-Iran. Het correspondeerde met de huidige provincie Mazandaran, wat vanaf de 11e eeuw de meest gangbare naam voor het gebied werd.
Geschiedenis
[bewerken | brontekst bewerken]Pre-islamitische tijdperk
[bewerken | brontekst bewerken]Tabaristan is vernoemd naar de Tapuri, die vanuit Parthia daarheen waren gedeporteerd door de Parthische koning Phraates I (r. 176-171 v.Chr.). Bij de komst van de Sassaniden maakte de regio, samen met Gilan en Dailam, deel uit van het koninkrijk Padishkhwargar van koning Gushnasp, die wordt genoemd in de Brief van Tansar. Hij onderwierp zich aan de eerste Sassanidische koning der koningen (shahanshah) Ardashir I (r. 224-242 AD) nadat hem was gegarandeerd dat hij zijn koninkrijk zou behouden. Zijn dynastie zou Padishkhwargar blijven regeren tot de tweede regeerperiode van Kavad I (r. 488-496, 498-531), die de dynastie van de macht verdreef en zijn zoon Kavus in haar plaats aanstelde. Onder de Sassaniden genoot Tabaristan een aanzienlijke autonomie. Ze lieten de meeste zaken waarschijnlijk aan de plaatselijke bevolking over. De muntsignatuur "AM" wordt over het algemeen beschouwd als een afkorting voor Amol, de belangrijkste stad van de regio. De eerste bekende Sassanidische vorst die munten met deze signatuur liet slaan, was Bahram V (r. 420-438), terwijl de laatste Boran was (r. 630, 631-632).
Islamitische tijdperk
[bewerken | brontekst bewerken]Dabuyiden
[bewerken | brontekst bewerken]
In de jaren 640 regeerde de Dabuyidische prins Gil Gavbara (r. 642-660), een achterkleinzoon van shahanshah Zamasp (r. 496-498/9). Hij veroverde heel Daylam en Gilan en was van plan zijn veroveringen uit te breiden naar Tabaristan. De gouverneur, Adhar Valash, verzocht om de hulp van Yazdagird III (r. 632-651). Omdat hij de opstand niet kon onderdrukken, erkende Yazdagird Gil Gavbara als heerser over de regio's, vermoedelijk om hem ervan te weerhouden een onafhankelijk rijk te stichten. Gil Gavbara kreeg de titels Padashwārgarshāh (sjah van Padishkhwargar) en ispahbad van Khorasan, wat mogelijk duidt op de heerschappij van de Dabuyiden in Oost-Iran. Gil Gavbara handhaafde de onafhankelijkheid van zijn rijk tijdens de Arabische invasie van Iran, die had geleid tot de ineenstorting van het Sassanidische Rijk.
Zijn zoon Baduspan I kreeg in 665 de controle over Ruyan (een district dat het westelijke deel van Tabaristan omvatte), waarmee de Baduspanidische dynastie werd gevormd, die tot de jaren 1590 over de regio zou heersen. De heerschappij in het gebergte van Tabaristan werd gehandhaafd door twee vazalkoninkrijken van de Dabuyiden, de Qarinvandiden en de Bavandiden. In 716 hield de Dabuyidische heerser Farrukhan de Grote (r. 712-728) met succes een grootschalige invasie door de Omajjadische generaal Yazid ibn al-Muhallab in bedwang. Farrukhans zoon en opvolger Dadhburzmihr (r. (720-740) verloor mogelijk tijdelijk de controle over Tabaristan aan de Arabieren, zoals blijkt uit het feit dat hij geen munten sloeg. Dit kan echter ook betekenen dat de Dabuyiden geen geld hadden om in hun rijk te laten circuleren. De laatste Dabuyidische heerser Khurshid (r. (740-760) slaagde erin zijn rijk te beschermen tegen de Omajjaden, maar nadat deze vervangen waren door het Abbasidische kalifaat werd hij uiteindelijk in 760 verslagen door de Abbasidische generaal Abu al-Khaṣīb Marzuq. Tabaristan werd vervolgens een reguliere provincie van het kalifaat, bestuurd vanuit Amol door een Arabische gouverneur, hoewel de lokale dynastieën van de Bavandiden, Qarinvandiden, Zarmihriden en Baduspaniden, voorheen onderworpen aan de Dabuyiden, het bergachtige binnenland bleven beheersen als tribuutplichtige vazallen van de Abbasidische regering. Deze heersers waren grotendeels, zo niet volledig, autonoom.
Onder het kalifaat
[bewerken | brontekst bewerken]
Onder het kalifaat groeide Amol uit tot de belangrijkste stad van Tabaristan en de voornaamste producent van de zijden stoffen waar de regio zo beroemd om was. Door de geschiedenis heen waren veel prominente figuren met de nisba al-Tabari afkomstig uit de stad, zoals Muhammad ibn Jarir (gestorven in 923), de auteur van het korancommentaar Tafsir al-Tabari en de historische kroniek Tarikh al-Rusul wa al-Muluk (Geschiedenis van de profeten en koningen).
de eerste Abbasidische gouverneur van Tabaristan was Abu al-Khaṣīb Marzuq, die een grote moskee in Sari bouwde. De tweede gouverneur, Khalid ibn Barmak, probeerde steden te bouwen en vriendschap te sluiten met de Qarinvand-heerser Wandad Hurmuzd (r. 765-809) om de Abbasidische invloed daar te vergroten. Nadat hij de regio had verlaten, vernietigde de Bavandidische heerser Sharwin I (r. 772-817) echter zijn bouwwerken. Hoewel Wandad Hurmuzd en Sharwin I in 781 hun trouw aan kalief al-Mahdi hadden bevestigd, ontketenden ze twee jaar later een dreigende anti-islamitische opstand met de masmughan van Miyanrud. Volgens lokale bronnen slachttten de rebellen op één dag alle mosliminwoners van Tabaristan af. De moderne historicus Wilferd Madelung leek dit overdreven en suggereert dat de massamoorden alleen plaatsvonden in de hooglanden en delen van de laaglanden die de rebellen wisten te bereiken. De rebellen waren aanvankelijk succesvol en versloegen de moslimstrijdkrachten en hun leiders. Dit alarmeerde al-Mahdi, die in 783/4 zijn zoon Musa met "een enorm leger en een uitrusting zoals niemand ooit eerder had gehad, naar Gurgan stuurde om de oorlog te leiden tegen Wandad Hurmuzd en Sharwin, de twee heren van Tabaristan."
Het jaar daarop versloeg een leger van 40.000 soldaten onder leiding van Sa'id al-Harashi de rebellen definitief. Wandad Hurmuzd raakte gewond en werd gevangengenomen, maar hij werd al snel gratie verleend en mocht terugkeren naar zijn land. Hierna werden de betrekkingen tussen de moslimgouverneurs en de lokale heersers van Tabaristan gedurende een bepaalde periode vriendschappelijk. Wandad Hurmuzd kocht aanzienlijke stukken land buiten Sari van gouverneur Jarid ibn Yazid. Aan het einde van de regeerperiode van kalief Harun al-Rashid (r. 786-809) laaiden de spanningen opnieuw op. De Bavandiden en Qarinvandiden verboden moslims om in Tabaristan begraven te worden, en de soldaten van Sharwin I hadden de kalief van de regio, die de neef was van gouverneur Khalifa ibn Sa'id, gedood. In 805 doodde Vindaspagan, de broer van Wandad Hurmuzd, een moslim-belastinginner die was gestuurd om zijn dorpen te inspecteren.
Harun al-Rashid, die in de stad Ray was om een kwestie met de gouverneur van Khorasan te bespreken, ontbood de twee heersers. Daar betuigden ze beiden hun loyaliteit aan de kalief en beloofden hem de grondbelasting te betalen. Op verzoek van Wandad Hurmuzd verving Harun al-Rashid de gouverneur van Tabaristan. De nieuwe gouverneur kreeg echter de opdracht om de macht van de lokale heersers te beperken tot de hooglanden. Qarin, de zoon van Wandad Hurmuzd, en Shahriyar, de zoon van Sharwin I, werden als gijzelaars naar Bagdad gebracht als bewijs van hun loyaliteit. Na de dood van Harun al-Rashid in 809 werden ze teruggebracht naar Tabaristan. Shahriyar I, die zijn vader ergens vóór 817 opvolgde, verdreef de Qarinvand-heerser Mazyar (een kleinzoon van Wandad Hurmuzd) met de hulp van diens oom Vinda-Umid ibn Vindaspagan.
Cultuur
[bewerken | brontekst bewerken]
Mazanderani, de lokale taal van Tabaristan, wordt voor het eerst vermeld in de werken van vroege islamitische geografen, die ernaar verwijzen als Tabari. De geografische verspreiding van de taal is tot op de dag van vandaag vrijwel onveranderd gebleven. In het westen strekte het zich uit tot Tammisha; aan de andere kant spraken de inwoners het Lotara-dialect van Astarabad en het Perzisch van Gorgan. De oostelijke grens van de taal lag iets verder dan tegenwoordig, tot aan Malat. De schrijftraditie van deze taal is ongeveer even oud als die van het Nieuw-Perzisch. Dit was te danken aan de langdurige onafhankelijke en semi-onafhankelijke lokale koninkrijken, die werden geregeerd door de ispahbads. Het oudst bekende werk in Tabari, dat alleen in de Perzische vertaling bewaard is gebleven, is de Marzban-nama, geschreven door de Bavandiden-ispahbad al-Marzuban in de late 10e of vroege 11e eeuw.
De islam werd voor het eerst echt gevestigd in Tabaristan (evenals in Gilan en Daylam) met de komst van hetZaydi-sjiisme in de 9e en 10e eeuw. Ook christelijke stammen bewoonden Tabaristan. Deze vochten rond 660 tegen de Arabieren, maar werden na hevig verzet verslagen, en gedood of tot slaaf gemaakt als ze zich niet tot de islam bekeerden. De traditie om het Pahlavi-schrift te gebruiken voor steeninscripties en monumenten, en mogelijk ook voor kanselarij, bleef in de Kaspische regio langer bestaan. De Bavandidische ispahbads maakten tot in het begin van de 11e eeuw nog gebruik van Pahlavi-inschriften. De jacht, die onder de Sassaniden al wijdverbreid was, was vooral populair. Khurshid had parken vol wilde zwijnen, hazen, wolven en luipaarden, die hij als jachtgebied gebruikte.
Gedurende een bepaalde periode fungeerde de Iraanse Kaspische Zeekust als centrum van het oude Iraanse nationale bewustzijn. In 783, tijdens een opstand in Tabaristan, leverden de lokale vrouwen hun Arabische echtgenoten uit aan de rebellen. Dynastieën zoals de Bavandiden en de Ziyariden bleven hun pre-islamitische achtergrond herdenken, waarbij traditionele Iraanse festivals zoals Nowruz en Mehregan in Tabaristan bleven bestaan.
Zie ook
[bewerken | brontekst bewerken]- Dit artikel of een eerdere versie ervan is een (gedeeltelijke) vertaling van het artikel Tabaristan op de Engelstalige Wikipedia, dat onder de licentie Creative Commons Naamsvermelding/Gelijk delen valt. Zie de bewerkingsgeschiedenis aldaar.