Poging (strafrecht)
Een poging tot een misdrijf is strafbaar in het Nederlandse strafrecht wanneer de dader de intentie heeft om een misdrijf te plegen en daar een begin van uitvoering aan heeft gegeven, ook al is het misdrijf zelf niet voltooid.
Nederland
[bewerken | brontekst bewerken]De strafbare poging is geregeld in artikel 45 Wetboek van Strafrecht
1. Poging tot misdrijf is strafbaar, wanneer het voornemen van de dader zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard.
2. Het maximum van de hoofdstraffen op het misdrijf gesteld wordt bij poging met een derde verminderd.
3. Geldt het een misdrijf waarop levenslange gevangenisstraf is gesteld, dan wordt gevangenisstraf opgelegd van ten hoogste twintig jaren.*
4. De bijkomende straffen zijn voor poging dezelfde als voor het voltooide misdrijf.
Het delict hoeft niet voltooid te zijn: en dus ook een poging is strafbaar. Binnen de poging wordt onderscheid gemaakt tussen een deugdelijke en een ondeugdelijke poging. Bij een ondeugdelijke poging maakt men een tweede onderscheid, namelijk tussen absoluut en relatief ondeugdelijk.
- Absoluut ondeugdelijke poging: het beoogde gevolg kan in geen enkel geval intreden. Schieten op een lijk is een poging tot doodslag (art. 287 Sr) of moord (art. 289 Sr) met absoluut ondeugdelijke middelen of op een absoluut ondeugdelijk object. Zo’n poging is in beginsel niet strafbaar.
- Relatief ondeugdelijke poging: het gevolg zou normaal gesproken wel intreden, maar blijft in dit concrete geval uit. Wie een kluis openbreekt om geld te stelen (art. 310 Sr) en die leeg aantreft, doet een relatief ondeugdelijke poging. Deze poging is wel strafbaar.
Voorts moet de dader moet het voornemen hebben een bepaald misdrijf te plegen. Dit voornemen is in feite opzet. Alle opzetvormen komen in aanmerking: voorwaardelijk opzet, opzet met noodzakelijkheidsbewustzijn en opzet als bedoeling. Dat verandert wanneer het beoogde misdrijf zelf een zwaardere vorm van opzet vereist, bijvoorbeeld doordat de delictsomschrijving het woord “oogmerk” gebruikt in plaats van “opzettelijk” of “wetende dat”. In dat geval is voorwaardelijk opzet in het algemeen onvoldoende.
Daarnaast moet er een begin van uitvoering zijn. In het Cito-arrest introduceerde de Hoge Raad het criterium van de uiterlijke verschijningsvorm. Een gedraging geldt als begin van uitvoering van een voorgenomen misdrijf wanneer zij naar haar uiterlijke verschijningsvorm moet worden beschouwd als gericht op de voltooiing van dat misdrijf.
In het Grenswisselkantoor-arrest oordeelde de Hoge Raad dat er geen begin van uitvoering van een bankoverval was. De maatschappelijke verontwaardiging hierover was voor de wetgever aanleiding om de strafbare voorbereiding van art. 46 Sr in te voeren.
Wie een poging doet maar vrijwillig terugtreedt, is niet strafbaar (art. 46b Sr). De terugtred moet wel spontaan en vrijwillig zijn. Wie stopt omdat hij politiesirenes hoort en bang is gepakt te worden, treedt niet vrijwillig terug en blijft in beginsel strafbaar.
Een poging tot een overtreding is niet strafbaar. Sinds 1994 staat dit niet meer expliciet in het Wetboek van Strafrecht.
BES-Eilanden
[bewerken | brontekst bewerken]Voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba is de strafbare poging geregeld in artikel 47 Sr Wetboek van Strafrecht BES. De regeling komt inhoudelijk grotendeels overeen met die in Europees Nederland: Met het grootste verschil is dat in lid 3: het maximum is hier vierentwintig jaar, tegenover twintig jaar in Europees Nederland.
Anders dan in het Wetboek van Strafrecht staat in het Wetboek van Strafrecht BES nog wel expliciet dat poging tot overtreding niet strafbaar is (art. 48 Sr BES).
Zie ook
[bewerken | brontekst bewerken]- Strafbare poging in het Belgisch strafrecht.